Genealogie de Boer Zaanstreek Waterland



Afbeelding
Gerrit Johannesz Moerbeek en Catharina Brakenburg




Man Gerrit Johannesz Moerbeek




        Geboren: 20-11-1767 - Haarlem
        Gedoopt: 
      Overleden: 6-4-1802 - Haarlem
       Begraven: 


          Vader: Johannes Jansz Moerbeek (1733-1784)
         Moeder: Maartje Weleman (      -1796)


       Huwelijk: 23-1-1791 - Haarlem



Vrouw Catharina Brakenburg

        Geboren: 19-11-1763 - Haarlem
        Gedoopt: 
      Overleden: 31-1-1806 - Haarlem
       Begraven: 


Kinderen
1 V Sara Sophia Gerritsd Moerbeek

        Geboren: 5-6-1791 - Haarlem
        Gedoopt: 
      Overleden: 4-6-1802 - Haarlem
       Begraven: 



2 V Geertruij Gerritsd Moerbeek




        Geboren: 
        Gedoopt: 1-8-1792 - Haarlem
      Overleden: 29-11-1837 - Amsterdam
       Begraven: 
        Partner: Johannes Johannesz Verbrugge
            Huw: 23-5-1827 - Amsterdam
        Partner: NN



3 M Jan Gerritsz Moerbeek

        Geboren: 4-10-1793 - Haarlem
        Gedoopt: 
      Overleden: 9-11-1793 - Haarlem
       Begraven: 



4 V Catharina Gerritsd Moerbeek

        Geboren: 4-1-1795 - Haarlem
        Gedoopt: 
      Overleden: 12-5-1802 - Haarlem
       Begraven: 



5 M Jan Gerritsz Moerbeek

        Geboren: 15-2-1796 - Haarlem
        Gedoopt: 
      Overleden: 23-6-1802 - Haarlem
       Begraven: 



6 M Jacobus Gerritsz Moerbeek

        Geboren: 30-6-1798 - Haarlem
        Gedoopt: 
      Overleden: 8-7-1869 - Utrecht
       Begraven: 
        Partner: Maria Catharina Joannesd Schoenmaker
            Huw: 11-5-1825 - Utrecht



7 M Hendrik Gerritsz Moerbeek

        Geboren: 2-5-1800 - Haarlem
        Gedoopt: 
      Overleden: 24-2-1830 - Alkmaar
       Begraven: 
        Partner: Maria Jansd Peper
            Huw: 15-12-1824 - Haarlem



8 V Gerritje Gerritsd Moerbeek

        Geboren: 10-10-1802 - Haarlem
        Gedoopt: 
      Overleden: 28-12-1802 - Haarlem
       Begraven: 




Algemene notities: Man - Gerrit Johannesz Moerbeek

IV. 2 GERRIT, geb. 22-11-1767 Haarlem, oven. 6-4--1802 Haarlem, ouders: Jan en Mareitje Weleman, Gehuwd 23-1-1791 Haarlem met CATHARINA BRAKENBURG, geb. 19-11-1763 Haarlem, oven. 31-1-1806 Harlem. (Het overlijden staat wel opgeschreven in het begraafboek, niet in het lijkregister.) Uit dit huwelijk: V, 1 SARA SOPHIA, doop 5-6-1791 Haarlem, oven. 4-6-1 802 Haarlem, V,2 GEERTRUIJ, doop 1-8-1792 Haarlem, V, 3JAN, geb. 4-10-1793 Haarlem, overl. 9-11-1793 Haarlem, V, 4 CATRINA, geb. 4-1-1795 Haarlem, oven. 12-5-1802 Haarlem, V, 5JAN, gel). 15-2-1796, oven. 23-6-1802 Haarlem, V, 6 JACOBUS, geb. 30-6-1798 Haarlem, V, 7 HENDRIK, geb. 2-5-1800 Haarlem, V, 8 GERRITJE, geb. 10-10-1802 Haarlem, oven. 28-1 2-1 802 Haarlem.

Gerrit,de Patriot

Burger! Weet gij wel, dat gij nog oranje draagt, en dat het uit de mode is?"
Dit werd gezegd tegen een heer die met een brede oranje sjerp over zijn ochtendjas op 19 januari 1795 op de Grote Markt in Haarlem rondliep Het is bitter koud op die vroege Maandagmorgen. 'toch zijn er al veel mensen op de been. Met grote verbazing zien zij verschillende hunner stadgenoten, gewapend en met nationale cocardes versierd, uit de Zijlstraat naar de Grote Markt trekken, waar zij in gelederen tegenover de Hoofdwacht worden opgesteld. Alles ging zeer geregeld, geen spoor van oproer was er te bekennen, de prinsgezinden konden volkomen veilig getuige van dit toneel zijn.
In een der gewapende Patriotten herkennen wij Gerrit. We gaan even naar hem toe, om te vragen wat dit alles te betekenen heeft.
Hij heeft wel even tijd voor ons en vertelt het volgende:
,,Al geruime tijd ben ik lid van de Patriottenbeweging en lid van het leesgezelschap ,,Het Schootsvel". Het is daar altijd gezellig, en er is geen verschil van rang en stand. Er worden daar geschriften over de belangen der vrijheid voorgelezen, er wordt wat gepraat, gerookt en gedronken.
In het najaar werden in het geheim 60 clubs van 10 leden eIk gevormd, om als het Franse leger zou naderen en de stedelijke regenten hun posten zouden verlaten, de stad te behoeden voor rampen, die uit een periode van regeringsloosheid zouden kunnen voortvloeien, en hij een voorkomend oproer te zorgen voor de veiligheid. Ik ben ook lid van zo'n club en daarom nu ook hier." hij zag er wat mager en vermoeid uit en vervolgde:, ,Ik ben nu 27 jaar en a.s. vrijdag 4 jaar getrouwd. Ik heb drie kinderen, een vierde, Jantje, heeft maar n maand geleefd. De jongste, Catrientje, is 2 weken geleden geboren. Al die jaren van mijn huwelijk was het moeite en gebrek. Er is nauwelijks handel en werk.
In mijn jongensjaren was er vier jaar oorlog met Engeland en geen koopvaardijschip durfde de haven uit. Toen wij trouwden dachten wij dat het in ons land weer wat beter zou gaan, maar de ene ellende volgde op de andere. Een paar maanden werk en dan was het weer mis."
En om zich heen kijkend, ,,Ik begrijp niet, dat er nog mensen zijn, zelfs bij de ambachtslieden, die nog oranje dragen. Wat kunnen zij hier nu van verwachten! De stadhouder bekommert zich alleen maar om zijn schilderijen, wat weet HIJ nu van onze armoede en onze nood.
Maar nu, 'en zijn ogen beginnen te glinsteren, ,,nu gaan wij een goede toekomst tegemoet. Er zal weer brood en werk zijn voor iedereen!"
-- (Gelukkig maar, dat niemand in de toekomst kan kijken.)-We nemen afscheid van Gerrit en kijken nog wat verder rond.
Het is nu druk geworden op de Grote Markt. Het bericht van de ,,omwenteling'' heeft zich in de hele stad verspreid en ieder wil zien wat er aan de hand is. Er heerst een blijde, geen uitgelaten stemming. Voor dat laatste zijn Haarlemmers te nuchter.
Te midden van het gewoel en van deze algemene blijdschap over de zegepraal werd in haast de nieuwe schutterij georganiseerd; zij bestond uit 20 compagnien van 75 man ieder en verkoos haar eigen officieren. Men was bijzonder eensgezind en voor het eerst in het bestaan van de Republiek werd bij deze verkiezingen niet op godsdienst gelet.
Kort hierop werd de Vrijheidsboom geplant.
Aan de burgemeesters was al 's morgens om half zeven persoonlijk hun ontslagbrief gebracht. De leden van de vroedschap hadden hun ontslagbrief ook thuis gekregen.

Pikant detail:
Deze ,,revolutie" werd niet zoals in Frankrijk voorbereid en uitgevoerd door het ,,volk". Hier
waren het vooraanstaande burgers die de drijvende kracht van deze ,,omwenteling" waren.
Misschien dat daarom ook voor de ,,gewone man" zo weinig veranderde.

Ten verzoeke van de nieuwe stadsregering werd enkele dagen later gedrukt en uitgegeven: Kort verhaal van de revolutie in Haarlem op den 19 januari 1795, met daarin de namen van de 600 clubleden die voor de veiligheid moesten zorgen. Aan deze lijst gaat vooraf het stukje waarmede wij dit hoofdstuk zijn begonnen.

Er zou gerede twijfel kunnen ontstaan of onze Gerrit inderdaad Patriot is geweest. In de lijst van de ,,600" komt voor: G. Moerbeek. Er was echter in die jaren in Haarlem geen andere G. dan Gerrit. Verder was Gerrit gehuwd met Catharina Brakenburg en er waren verschillende Brakenburg's lid van de Patriottenbeweging.
We kunnen dus veilig aannemen dat inderdaad onze Gerrit lid was.

Ruim 4 jaar later komen wij Gerrit weer tegen. Hij is nog wat magerder geworden. De geest van blijdschap op de dag van de omwenteling heeft plaatsgemaakt voor doffe berusting.
Hij is op weg naar de vergadering van diakenen om enige onderstand te vragen. Hem wordt toegelegd 4 pond rogge voor het hele gezin. Of dit eenmalig was, of voor iedere week zo'n hoeveelheid is niet duidelijk. Voor een gezin van 7 personen was het in ieder geval niet veel.
In die vergadering, 12-9-1799, moest hij ook de leeftijden van alle gezinsleden opgeven.
Staande voor een tafel, moe en gespannen, de heren diakenen zittend achter diezelfde tafel, breeduit, in het volle besef van hun waardigheid.
Er bestonden nog geen trouwboekjes of geboortebewijzen. Op verjaardagen werd in de dagelijkse sleur van alledag geen acht geslagen. En nu moest hij alle leeftijden noemen. Hij had wel wat anders aan zijn hoofd, begon dan ook te hakkelen en haalde de leeftijden van de kinderen door elkaar. ,,Kom, we zullen je wel helpen," zei een der diakenen. En zo werden met enige moeite de leeftijden opgeschreven met als resultaat dat het nergens op leek. Maar Gerrit had zijn rogge en daar ging het om.
Dan komt het, voor het gezin, catastrofale jaar 1802. Gerrit sterft op 341/2 jarige leeftijd aan zinkingkoorts. De bar slechte leefomstandigheden zullen wel de voornaamste oorzaak geweest zijn van zijn vroegtijdig overlijden.
Nog vier kinderen sterven in dat zelfde jaar:
Catrina, 7 jaar oud aan koorts
Sara, 11 jaar oud aan zenuwzinking
Jan, 6 jaar oud aan koliek
Gerritje, geboren een half jaar na het overlijden van haar vader, wordt maar 10 weken oud en sterft aan toevallen.
Zo had Kaatje wel een zware last te dragen. Zij blijft achter met drie kinderen. Slechts vier jaar houdt zij het vol. In 1806 komt ook voor haar het verlossend einde.
Bij hun huwelijk woonde Gerrit in de Beeksteeg. Andere adressen en zijn beroep zijn niet bekend.

In de stadsbibliotheek in Haarlem bevindt zich een klein manuscript waarin een tijdgenoot circa 40 jaar na de omwenteling van circa 250 van de 600 clubleden enige aantekeningen op de personalia heeft genoteerd. De schrijver was blijkbaar een vurige Oranjeklant en schepte er kennelijk een sadistisch behagen in om te vermelden hoe slecht het met een deel van de clubleden was afgelopen. Van de 350 overigen wist hij blijkbaar geen kwaad te vertellen. Hij moet zelf al een oudere man zijn geweest en de aantekeningen uit zijn geheugen hebben neergeschreven. Dat dat geheugen hem weleens in de steek liet en hij daardoor fouten maakte, is haast onvermijdelijk. Bij Gerrit vermeldt hij bijv.: In 't Buytenhuys (d.i. het stads-armen ziekenhuis red.) overleden en zijn huisvrouw naar Alkmaar vertrokken.
Welnu, Gerrit is wel arm, maar in eigen huis overleden en Kaatje is niet naar Alkmaar vertrokken, maar 4 jaar na Gerrit in Haarlem overleden. De anonieme schrijver heeft hier kennelijk namen door elkaar gehaald.
Overigens verwart hij oorzaak en gevolg. Een aantal clubleden is niet arm geworden, omdat zij patriot waren, maar zij werden patriot omdat zij arm waren.

Haarlem
in een nieuw Tijdperk

Toen de Kozakken op zaterdagmorgen 4 december 1813 Haarlem verlieten, bleven de omwonenden van de Kalvermarkt achter, beroofd van hun houten tuinhekken en afrasteringen.
De Kozakken hadden hiervan kampvuren gestookt. Ook voorraden hooi en sterke drank waren voor hen een welkome buit geweest om de koude winternacht enigszins dragelijk door te komen. Spannende (lagen waren aan die 4e december voorafgegaan.
Op 1 9 november was een voorlopig stadsbestuur gevormd, nadat op die dag de Maire het bewind had neergelegd en de Fransen de stad hadden verlaten. Maar de onrust bleef. Door het ontbreken van een goede en snelle berichtgeving slopen de geruchten door de stad, als schimmen in een donkere nacht.
Geruchten over Franse troepen verplaatsingen, geruchten dat de roomsen clubs gevormd hadden, om de stadsregering tegen te werken.
Even onwerkelijk als schimmen waren deze geruchten. Op 1 december komt het dringend verzoek van de Gewapende Burgers aan het stadsbestuur om nu toch eindelijk de Oranjevlag op de toren te hijsen. Van de torens van alle omliggende plaatsen en inzonderheid van die van Amsterdam wappert zij al. Bovendien, de Russen zijn in aantocht. Het naburig fort te Halfweg is al door hen bezet en er is bericht gekomen, dat zij naar Haarlem onderweg zijn.
Zo ging dan op die dag de Oranjevlag op de Bavo in top. Voor korte tijd slechts. Veertien dagen later was zij aan flarden gewaaid en werd zij vervangen door het rood, wit en blauw.
In de (lagen na die vierde december waren meer geallieerde troepen door de stad getrokken. Sommige stalhouders hadden hun huizen en stallen gesloten gehouden en ,,niet thuis" gegeven, hang als zij waren, dat hun paarden en wagens gevorderd zouden worden.
Door het stadsbestuur werd hen het gevaarlijke van hun houding voor de hele stad en voor henzelf onder het oog gebracht.
Op die kille decembermorgen stond Haarlem aan het begin van een nieuw tijdperk. Vooralsnog was hiervan niets te merken.
Haarlem was in die dagen een vuile, stinkende stad, vol herrie en lawaai. Zij lag nog opgesloten binnen haar wallen en was niet groter dan het huidige stadscentrum.
De bewoners waren doorgaans tenger van gebeente en bleek van gelaat. Bilderdijk schreef wat jaren later dat de vrouwen in dit ellendig Haarlem een brutale oogopslag hadden en de mannen te luid riepen.
De stad was in de voorafgaande jaren meer en meer verarmd. Veel huizen waren geleidelijk aan gesloopt, omdat de belasting op onbebouwde grond aanmerkelijk lager was dan op bebouwde. Het aantal inwoners was in 1815 gedaald tot 17.400. In 1622 waren dat er 39.455 op een oppervlakte, ongeveer 2/3 van die van 1815.
Nu telt Haarlem zelfs aanzienlijk meer personenauto's, n.l. 42.361 per 1-1-1977, dan er toen inwoners waren. Maar de stad is in de loop der jaren wel groter gegroeid. De verarming was niet uitsluitend aan de Franse tijd te wijten.
De laatste helft van de achttiende eeuw was al een periode van stijgende werkloosheid, en toenemende verpaupering. Het leven in Haarlem op het einde van die eeuw was rauw en hard. Vooral voor de behoeftigen. Zij leefden permanent in de ,,houdgreep'' van de diaconale armenzorg. En behoeftig was men al spoedig in die dagen.
Binnen de poorten van deze kleine stad waren ook nog boerderijen gevestigd. Mesthopen lagen soms midden op straat. Koeien en paarden die over straat vervoerd werden, lieten ook hun sporen achter. Sommige inwoners ledigden, zelfs op klaarlichte dag, hun sekreten 2 ) op straat. De vele grachten waren open riolen en vol drijvende rommel en kadavers van klein vee, katten en honden. Op warme zomerdagen moet het daar niet te harden zijn geweest. Wel zorgde het Spaarne voor enige doorstroming, maar in de wirwar van grachten en grachtjes had dit niet overal evenveel effect.
Er was geen waterleiding. Men behielp zich met regenwater en niet gemeenschappelijke wellen en pompen. De bewoners zelf zullen ook niet al te fris geroken hebben, maar in de algemene stank viel dat misschien niet op.
Op de wallen der grachten lagen hopen van balken, stenen, puin en mest. De stadskeuren verboden dit alles wel, maar de politic beriep zich op gebrek aan mankracht. Er waren zes politieagenten, een adjunct-commissaris en een commissaris. De adjunct moest met drie agenten van 10 - 3 uur op het bureau blijven, n agent was op het stadhuis gestationeerd en twee waren belast met het transport van gevangenen. Dan waren er nog een paar veldwachters. En voor de Hout en plantsoenen enkele boswachters. Veel toezicht was er dus niet. Bovendien klaagt de adjunct er over, dat, als er dan al eens proces-verbaal was opgemaakt, dit niet voortgezet wordt.
Het politiecorps was geen elitecorps.
Op 19 juni 1816 wordt een agent van politie voor zes weken geschorst, omdat hij in de nacht daarvoor dronken is geweest. Op voorspraak van de adjunct wordt deze schorsing na een week ongedaan gemaakt en wordt hij voor het front van de troep berispt wegens insubordinatie en dronkenschap. Hij en de anderen worden gewaarschuwd, dat op dergelijke ontsporingen voortaan onmiddellijk ontslag zal volgen. Bij de veldwachters was het al niet veel beter. De brigadier wordt ook ernstig vermaand wegens zijn dronkenschap. Hij krijgt opdracht op de aanstaande kermis met kracht tegen de bedelaars op te treden. Daar mankeerde blijkbaar nog al eens wat aan.
In bijzondere gevallen kon de schutterij te hulp geroepen worden. Voor de schutterij gold een dienstplicht op de leeftijd van 18 jaar. Een vereiste was, dat zij behoorlijk gekleed moesten zijn. 's Nachts waakte de nachtwacht over de veiligheid. -
Haarlem was garnizoensstad. Dat bracht het nodige vertier, Maar er wordt ook geklaagd over baldadigheid van soldaten. Zij vernielen jonge aanplant in pas aangelegde plantsoenen in de ,,nieuwe" stad. De boswachters willen nog wel bedelaars arresteren, maar zij weigeren op te treden tegen de soldaten. Daar waren zij niet tegen opgewassen.
Ook voerlieden richten vernielingen aan door met paard en wagen buiten de paden te rijden. Menige jonge boom is daarbij al gesneuveld.-
De herrie in de stad was vaak oorverdovend. Vooral als veerschuiten en vrachtschepen hun lading aan de kaden gelost hadden en de slepers en vrachtrijders hun vrachtjes gingen wegbrengen. Een houten slede met een paard er voor was een veel gebruikt vervoermiddel. En dat bonkte en schuurde dan over de keien. Verder het geratel van de karren. En het geroep en geschreeuw van al die mannen om ruim baan, of om kleine en grote ruzies en twisten uit te vechten.
Dat er nogal eens vaak onderling gescholden en gevochten werd, bewijst de ordonnantie uit 1750 van het turfdragersgilde. Er werden boeten gesteld op elkaar kwalijk bejegenen, ,,kijvagin aanrichten", vechterijen. Niemand mocht een ander gildelid naroepen met een verkeerde of bijnaam. Dronken op het werk komen of dobbelen tijdens de werkzaamheden werd eveneens bestraft. Bij de aanvang van de Bataafse Republiek waren de gilden opgeheven. Toch bleven nog vele jaren daarna deze gilden in een andere vorm als groep voortbestaan. Zo werden door het stadsbestuur in 1821 en 1837 voor de turfdragers reglementen vastgesteld, waarin ook de bovengenoemde voorschriften in een wat mildere vorm werden opgenomen. -
De bedelaars waren een probleem apart. En dat niet alleen voor Haarlem. Zij waren het residu, het bezinksel van een maatschappij waarin sociale bijstand geen recht maar een gunst was. Het waren de kreupelen en mismaakten, de ,,oorlogsinvaliden", die op jaarmarkten en kermissen uit hun holen kwamen en met hun soms agressieve bedelpraktijken de burgers lastig vielen.
Wij lazen hiervoor al hoe de brigadier der veldwachters nog eens speciaal op zijn taak werd gewezen om tijdens de kermis krachtig tegen de bedelaars op te treden. Dat de politie af en toe wel eens zo menselijk was een oogje dicht te knijpen, blijkt uit de berisping die de adjudant op 26-1 1816 kreeg. Hij werd zeer ernstig onderhouden over het toelaten van vreemde bedelaars, liedjeszangers, verminkte en andere personen, welke alhier niet behoren. En drie maanden later op 25-4-1816 wordt de commissaris nog eens op de aller-ernstigste wijze aangezegd, dat hij zorgen moet, dat geen vreemde bedelaars zich op zondag of andere dagen in de Hout of binnen de stad met bedden ophouden, maar dat die dadelijk opgepakt en voor de gehele dag in gijzeling gebracht worden. Zelfs de prinsessen 3) werden op hun wandelingen in de Hout vaak door bedelaars lastig gevallen.
Tenslotte kregen de commissarissen van de trekschuiten op Amsterdam en Leiden een dag daarna de ernstige recommandatie om de schippers aan te zeggen, geen vreemde bedelaars herwaarts over te brengen. Bij aankomst zullen zij direct in gijzeling genomen en met de laatste schuit weer terug gezonden worden. -
De kermis was een welkome onderbreking in het weinig vreugdevolle leven van alle dag. Zij werd gehouden op het Prinsenhof. De kooplui, die daar op andere dagen met hun koopwaar stonden, werden zo lang verbannen naar de Nieuwegracht. Op de kermis van zaterdag, zondag en maandag 6, 7 en 8 juli 1816 waren als bijzondere attracties: Vier Amerikaanse mensen in een schip, een kalf met een mensenhand aan de linkerachterpoot, vette kinderen, drie albino's (een meisje van 14 en twee jongens van 12 en 10 jaar) - malmolen of schuitjes - voorts kunststukken - comedie of pantomimes - marionetten - een menagerie van vreemde dieren - idem van vogels - op de Turf- markt stond J. Hesselberg met een spel. De kermis werd blijkbaar op verschillende plaatsen in de stad gehouden - Een kies- en tandmeester uit Amsterdam was ook aanwezig. - Verder kramen met schoen- en leerwerk en andere nuttige zaken. En voor de inwendige mens scharretjes, vis en andere lekkernijen. Was men op de kermis uitgekeken, dan ging het naar een van de vele tapperijen, waar het Haarlemse bier rijkelijk vloeide. -
Het zou onnatuurlijk zijn, als er nooit klachten over de tapperijen waren geweest.
De regenten van het Gereformeerde Weeshuis klagen, dat er recht tegenover dat gesticht een tapperij is, waarvan de tapper weesjongens naar binnen lokt ,,om gelagen te zetten".
De kolonel van het garnizoen klaagt over hazard-spel met militairen in een tweetal tapperijen. De tamboer-majoor is na een bezoek aldaar helemaal blut bij zijn superieuren komen klagen. Op donderdag 14-3-18 16 moeten de beide tappers voor de burgemeester verschijnen. Zij hebben maar te zorgen, dat de verloren gelden terugkomen. Tot zaterdagmorgen krijgen zij hiervoor gelegenheid, anders gaan hun zaken dicht.
Menigvuldig zijn ook de klachten over lawaai en vechtpartijen. Een enkele maal moet een tapper om die reden naar een ander pand verhuizen.
In enkele van die tapperijen hielden ronselaars zitting. Officieel werden zij sergeant van werving genoemd. Er waren er voor de landmacht, de zeemacht en de koloniale troepen. Als een jongen met een dronken kop eenmaal getekend had, was het: kip ik heb je. Zij moesten 's nachts in de tapperij blijven slapen, Daar was wel een hokje voor ingericht. En de andere morgen direct op transport. De landmacht betaalde een tientje handgeld, f. 5,-- direct en f. 5,-- na drie maanden diensttijd.
De ronselaars gingen niet al te scrupuleus te werk.
Op 19-9-1815 wordt de sergeant, die als werver alhier is, serieus onderhouden over het mede naar Amsterdam nemen van een jongen uit het Diaconiehuis, die niet prompt bij zijn zinnen is en dat zonder voorkennis van de Bestuurders. De sergeant vraagt verschoning en belooft dat niet weer te doen. Over het terugbrengen van de jongen wordt niet gerept. -

Kozakken op de Kalvermarkt, Haarlem.
Tekening in 0.1. inkt, Pieter Barbiers Bz. Gem. Archief, Haarlem. De Kalvermarkt heet thans Kennemerplein en ligt ten noorden van het station.

Vervolg, zie dochter Geertruij
Afbeelding

Jan Korsz Kors en Eegje Pietersd Brakenburg




Man Jan Korsz Kors

        Geboren: 1677 - Oostzaan
        Gedoopt: 8-8-1677 - Oostzaan
      Overleden: 
       Begraven: 


          Vader: Kors Jansz Kors (1650-      )
         Moeder: Eefje Dirks (      -1720)


       Huwelijk: 

 Andere partner: Giertje Cornelisd Snijder - 24-12-1702 - Oostzaan



Vrouw Eegje Pietersd Brakenburg

        Geboren: 
        Gedoopt: 
      Overleden: 
       Begraven: 


          Vader: Pieter Gerritsz Brakenburg (      -Vr 1720)
         Moeder: Grietje Klaasd Metselaar (      -      )



 Andere partner: Cornelis Dirksz Kruijf


Kinderen
1 M Pieter Jansz Kors

        Geboren: 1713 - Oostzaan
        Gedoopt: 12-11-1713 - Oostzaan
      Overleden: 
       Begraven: 



2 V Jannetje Jansd Kors

        Geboren: 1717 - Oostzaan
        Gedoopt: 14-2-1717 - Oostzaan
      Overleden: Vr 17-12-1719 - Oostzaan
       Begraven: 



3 V Jannetje Jansd Kors

        Geboren: 1719 - Oostzaan
        Gedoopt: 17-12-1719 - Oostzaan
      Overleden: 
       Begraven: 



4 V Grietje Jansd Kors

        Geboren: 1722 - Oostzaan
        Gedoopt: 12-4-1722 - Oostzaan
      Overleden: 
       Begraven: 



5 M Kors Jansz Kors

        Geboren: 1725 - Oostzaan
        Gedoopt: 12-120-1725 - Oostzaan
      Overleden: Vr 1731
       Begraven: 



6 M Dirk Jansz Kors

        Geboren: 1729 - Oostzaan
        Gedoopt: 15-5-1729 - Oostzaan
      Overleden: 
       Begraven: 



7 M Kors Jansz Kors

        Geboren: 1731 - Oostzaan
        Gedoopt: 23-9-1731 - Oostzaan
      Overleden: 
       Begraven: 




Afbeelding
Cornelis Dirksz Kruijf en Eegje Pietersd Brakenburg




Man Cornelis Dirksz Kruijf

        Geboren: 
        Gedoopt: 
      Overleden: 
       Begraven: 
       Huwelijk: 

 Andere partner: Helena Bartels



Vrouw Eegje Pietersd Brakenburg

        Geboren: 
        Gedoopt: 
      Overleden: 
       Begraven: 


          Vader: Pieter Gerritsz Brakenburg (      -Vr 1720)
         Moeder: Grietje Klaasd Metselaar (      -      )



 Andere partner: Jan Korsz Kors


Kinderen


Startpagina | Inhoudsopgave | Achternamen | Naamlijst

Deze webpagina werd gemaakt op 1-6-2017 met Legacy 8.0 van Millennia